7000 jaar landbouw in Limburg

Auteur
Hary van Aken

Ongeveer zevenduizend jaar geleden vestigden zich in Limburg de eerste landbouwers, aangeduid als Bandkeramiekers. In de loop der tijden ontwikkelden zich ook in de landbouw nieuwe technologiëen in het productieproces. De grootste verbeteringen of veranderingen deden zich voor tijdens de 20e eeuw, waarin de machines hun intrede deden. Velen kijken nu echter nostalgisch terug naar de graanoogst een eeuw geleden toen de mens en het paard nog het zware werk moesten doen. Ik ben in 1950 geboren en zag in mijn boerenfamilie tijdens de vijftiger jaren het paard verdwijnen en de tractor oprukken. En velen met mij genieten tijdens het jaarlijkse Oogstdankfeest in Einighausen van het vroegere boerenleven. 

Koren is een algemene aanduiding van graan. Broodtarwe (terf) is het bekendst omdat dit het meest benut wordt om het dagelijkse brood te bakken. Daarnaast is er rogge voor het roggebrood en de fabricage van whisky. En gerst is van groot belang is voor de bier- en whiskyproductie. 

Graanoogst
Naast maïs en rijst was en is graan een van de belangrijkste voedselbronnen, we danken er ons dagelijks brood aan. In het Egypte van de farao’s werd de graanschuur even streng bewaakt als de goudvoorraad. Als er door misoogst of om een andere reden geen graan zou zijn, dreigde hongersnood en opstand. Daarom was het weer zo belangrijk voor boeren. Al duizenden jaren is bekend dat de landbouwers het meest bevreesd waren voor onweer en droogte. Dan kon de oogst immers mislukken met alle gevolgen van dien.
De vele Romeinse villa’s en kastelen in Zuid-Limburg zijn te danken aan de vruchtbare lössgrond en de aanwezigheid van voldoende water. Graanschuren waren een teken van rijkdom. De rijk gevulde schuren raakten in de loop van de 20e eeuw leeg omdat het graan meteen naar de fabriek ging.

Gereedschap
De Bandkeramiekers in de Steentijd sneden het graan af met een scherpe vuursteen, later volgden bronzen en ijzeren messen en zeisen. In het begin van de 20e eeuw werkten veel Limburgse boeren nog met de zicht, dat is een speciale zeis. De mannen zeisden het graan en de vrouwen en kinderen verzamelden de aren. Die werden in bundels tegen elkaar op het veld geplaatst om te drogen. Ik herinner me dat rond 1960 ook nog korenmijten in de velden stonden, op die grote hopen werd het graan tijdelijk bewaard. Na een goede droogperiode werd de oogst met paard en kar naar de eigen schuur gebracht. En later werd het in de schuur gedorst met vlegels waarbij met stokslagen het kaf van het koren gescheiden werd. Na de oorlog deed de combine haar intrede waarbij dat grote apparaat veel handwerk en paardenkracht overbodig maakte. Die machine maaide het graan en scheidde meteen de graankorrels en het stro.

Bij mijn opa (Ruypers in Craubeek) gingen de graanzakken (broodtarwe) daarna naar de huiszolder. Via het uilengat zorgden de uilen dat de muizen niet het koren verorberden. Regelmatig werd er in het buikhuis (bakkes) brood en vla gebakken. Tevoren ging men dan naar de plaatselijke molenaar met een zak tarwe en die vermaalde dat tot bakmeel. Of Braakhuis van de Overhekermolen haalde de graanzak op en bezorgde het meel later bij de klant. Tijdens de tweede helft van de 20e eeuw liep dat zelf bakken terug en kwam de bakker langs de deuren met brood, etc. Ook de strozakken, waarop geslapen werd, verdwenen. Het stro bleef wel behouden in de veehouderij met name in paardenstallen. 

Ik had 3 oudheerooms, 2 heer-ooms en 2 tantzusters, hetgeen in het Rijke Roomsche leven het toppunt voor een vrome boerenfamilie betekende. Ikzelf zou die traditie voortzetten, maar ben voortijdig afgehaakt. Vroeger werden de geestelijken als halve heiligen behandeld. Maar die tijd is voorbij, kloosters staan leeg en kerken bijna. Maar de combines rijden verder over het land.